Nederland kan niet heffen over liquidatie-uitkering nadat zowel dga als BV naar Belgie zijn geemigreerd. Moment waarop is besloten tot liquidatie maakt niet uit.
IB - Arrest Hoge Raad - [12-5-2006] - 41.324 (AX0972) - [15-5-2006]
Een directeur-grootaandeelhouder (dga) verhuisde op 14 augustus 1996 naar België, de BV verplaatste op 2 september 1996 haar zetel eveneens naar België. Op 12 december 1996 ontving hij een liquidatie-uitkering van de (inmiddels geliquideerde) BV van fl. 8.531.199. Hof Den Haag oordeelde dat het besluit tot liquidatie was genomen in de periode dat de BV nog in Nederland was gevestigd en dat de aan de liquidatie-uitkeringen ten grondslag liggende rechten en plichten al in die periode zijn komen vast te staan. Volgens het Hof bracht een redelijke verdragstoepassing dan mee dat de liquidatie-uitkeringen het karakter hebben van inkomsten uit een Nederlandse bron en dat Nederland inkomstenbelasting mag heffen.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de dga gegrond. De Hoge Raad oordeelt dat de dga niet kan worden geacht de uitkering al te hebben ontvangen op het moment waarop werd besloten tot liquidatie van de BV over te gaan. De (geliquideerde) BV is dus voor de toepassing van het belastingverdrag met België niet aan te merken als inwoner van Nederland. In dat geval is het Nederland niet toegestaan om bij de (inmiddels ex-)dga inkomstenbelasting te heffen. Het mogelijke doel van de verplaatsing maakt niet uit.

