Feitelijke Vpb-heffing in Belgie betekent niet automatisch dat BV voor belastingverdrag Nederland-Belgie ook daar is gevestigd (12-05-2006)
VPB - Arrest Hoge Raad - [12-5-2006] - 40.450 en 40.451 (AR5759) - [15-5-2006]
Hof Den Bosch oordeelde dat de verdragswoonplaats en de onderworpenheid aan de belastingheffing feitelijke begrippen zijn. Nu in 1996 bij een BV feitelijk Vpb was geheven door België, oordeelde het Hof op grond van de feiten dat de BV (en de aandeelhouders) vanaf 31 mei 1996 feitelijk in België is gevestigd. De Staatssecretaris ging in cassatie.
De Hoge Raad overweegt dat als een Nederlandse belastingplichtige in België als inwoner in de belastingheffing is betrokken, ook voor artikel 4, § 1 Belastingverdrag Nederland- Belgie moet worden aangenomen dat die belastingplichtige op grond van de Belgische wetten als inwoner van België aan de belasting is onderworpen. Hiervan kan alleen worden afgeweken als de inspecteur aannemelijk maakt dat de gegevens op grond waarvan de Belgische fiscus het inwonerschap heeft aangenomen onjuist of onvolledig zijn, danwel dat de heffing niet in redelijkheid op enige regel van Belgisch recht kan zijn gestoeld. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof bij de uitspraak is uitgegaan van een onjuist standpunt maar bevestigt wel het feitelijke oordeel van het Hof dat niet aannemelijk is dat de feitelijke leiding van de BV in Nederland was achtergebleven na emigratie van de aandeelhouders. De uitspraak is gecasseerd en de zaak is verwezen naar Hof Arnhem.

